'Mijn spreken is nooit één stem'


 
Home > De (on)vertelde Stad > Denken over de stad > 'Mijn spreken is nooit één stem'

'Mijn spreken is nooit één stem'

Voordracht tijdens de conferentie Co-creatie in het theater, 4 november 2017, Frascati, Amsterdam

We spreken hier vandaag over co-creatie.

Ik ben theatermaker, ik werk in een collectief dat Lucinda Ra heet. Hoe persoonlijk ik ook wil spreken over een praktijk van theatermaken, dat spreken wordt altijd getekend door een collectieve praktijk. Mijn spreken is dus nooit mijn stem alleen. Dat is niet uitzonderlijk, dat is niet speciaal. Iemand is nooit 1 stem alleen. Onderaan in een kast vond ik ooit een oude tekst die ik ooit op de toneelschool had geschreven. Ik meende het zo hard, het was zo belangrijk. Het was een stem van iemand die me slechts van verre nog bekend klonk. Iemand heeft nooit 1 stem, en is nooit altijd die ene stem geweest.

We spreken vandaag dus over co-creatie.

Ik zou willen beginnen met een ander woord dat we gebruiken bij Lucinda Ra, namelijk co-productie.

Dat woord begon als een grap. Co-productie slaat in het Vlaamse theater altijd op een financiële constructie tussen theaterhuizen. En niets meer dan dat. Ik werkte enkele jaren geleden in de Rabotwijk in Gent en er was op dat moment een andere voorstelling van mij op tournee die zo een klassieke co-productie was tussen verschillende theaterhuizen. En die tournee ging niet goed. Bleek dat het helemaal niet marcheerde tussen die huizen en dat er eigenlijk niemand bezig was met de inhoud van de voorstelling. Ik had die ochtend een vergadering met iemand van Vooruit (die overigens niet in die co-productie zat) en ik klaagde steen en been over die co-productie die op niets meer gebaseerd was dan die financiële overeenkomst. De nacht voordien hadden we in Rabot gefilmd, wat een beetje een hachelijke onderneming was omdat je niet zomaar met een camera ’s nachts kon rondlopen, en één van de bewoners was heel de nacht als bodyguard mee geweest. Het was de stroper die boswachter werd, maar het werkte wel. Het waren goeie opnames. Dus in die vergadering die ochtend maak ik tijdens het klagen een onnozele grap. Ik zei: die co-productie hier vannacht werkte heel goed. En dat woord is gebleven. We spreken van een inhoudelijke co-productie.

Met Lucinda Ra maakten we voorstellingen die gebaseerd zijn op zo een inhoudelijke co-producties, met bijvoorbeeld mensen van een bepaald dorp, met kinderen die in een psychiatrie moeten verblijven, het personeel van een psychiatrie, met mensen die op straat leven, met wetenschappers en met studenten. Het is nooit op geld gebaseerd, altijd op inhoud.

Want dat is de vraag die ik me altijd stel: wie is er noodzakelijk in dit project om de inhoud verteld te krijgen? Dat zijn dan de mensen waar ik mee werk. En die mensen moet ik om hulp vragen. De vraag ‘kan jij mij helpen?’ heeft veel mogelijk gemaakt. Die anderen zijn de experten van de plek waar ik werk. Zij zullen mij helpen, mij op mijn plaats zetten, mij de weg wijzen, mij uitlachen. Hun antwoorden passen nooit helemaal in de verwachting, want anders is er niets spannend aan. Let wel: het is altijd mijn voorstelling, en ik alleen draag er de verantwoordelijkheid en aansprakelijkheid voor. Hun stem en de mijne, daartussenin speelt het zich af.

Die heel verschillende mensen waar ik mee werkte (en werk) zijn vaak hele goeie dramaturgen.  Sommigen kunnen niet lezen en schrijven, vaak hebben ze nog nooit een toneelvoorstelling gezien, maar ze stellen wel de juiste vragen: Wat kom jij hier doen? Wat doe je eigenlijk voor werk? Wat gaat dat veranderen? Wat ga jij over ons vertellen?

Ze dwingen me om de zaken helder en scherp te formuleren. Ze zijn allergisch voor praatjes waar ik in subsidiedossiers nog mee zou wegkomen.

Toen ik met een voorstelling over de Rabotwijk in Gent in Vooruit speelde, kwam er een vlak voor de voorstelling begon (ik wilde net rechtstaan en mijn eerste zin uitspreken) een oudere vrouw doodleuk de scène opwandelen. Ze komt vlak voor mij staan en luid genoeg zodat de eerste drie rijen het goed kunnen horen, zegt ze: Ik heb dertig jaar in die wijk gewoond, wat kan jij mij vertellen dat ik nog niet weet? Ik ben benieuwd. Ik kan u verzekeren dat je dan op scherp staat wanneer je aan de voorstelling begint. Ze vond het overigens een goeie voorstelling. Dat ze op dat moment zich de scène toe-eigent en de lat hoog legt, vond ik fantastisch. Zo ontfermt ze zich mee over de inhoud.

Mensen kunnen meewerken en meegaan op elk niveau van het werk. We toonden ooit een repetitie voor kinderen tussen 8 en 14, over de psychiatrie waar ze verbleven. En we spraken af op voorhand om alleen aan de kinderen feedback te vragen, niet aan hun begeleiders. Dat werkte heel goed.

Voor mij zijn dat allemaal mogelijke manieren van co-creatie. Het is een open proces dat start vanuit een nood. Het is praktijk zonder vooropgestelde finaliteit, maar niet noodzakelijk zonder effect.

We kunnen spreken over het verlangen om zo te werken, maar ik denk dat een maker aan een andere maker niet te zeggen heeft hoe je dat moet doen. Geen twee makers zullen die co-creatie op dezelfde manier aanpakken. Dat hoort ook zo. Ik merk vaak dat als iemand over een geslaagd participatief project vertelt, dat dat project dan al snel als een recept wordt beschouwd. Maar dat is het net: dat recept is er niet. Co-creatie is geen nieuwe trend, het is zo oud als de straat. En toch zou het altijd opnieuw met een leeg blad moeten beginnen. Het is een mogelijkheid die altijd opnieuw heruitgevonden moet worden.  

Misschien is het niet altijd makkelijk. Misschien is het niet altijd handig of efficiënt.

En dan? Ik heb al eens een scènewissel moeten bedenken omdat een speler een kledingstuk droeg dat binnen de voodoo rite een bepaalde kracht had en dus niet openlijk getoond mocht worden. Zo gaat dat dan, dan doe je dat maar. Dan zit je daar, rekening te houden met voodoo krachten. Ja het beïnvloedt mijn auteurschap. Sommige scènes zouden echt beter zijn met professionele acteurs, we zouden sneller en efficiënter werken als we altijd in een theaterzaal zouden werken, en die voorstelling met dat dorp zal waarschijnlijk nooit op tournee kunnen gaan. Dat is dan maar zo. Het theater is niet heilig. De auteur is niet heilig, de kunstenaar is niet heilig, onze handen dienen niet proper te blijven en er zijn altijd prachtige compromissen te maken. Onze goede smaak en het protocol van ons wereldje moeten we maar proberen af te leren. Het theater is alleen maar zo prachtig omdat het de wereld buiten het theater interessant en spannend maakt. Niet omwille van zichzelf. Robert Filliou zei: Art is what makes life more interesting than art.

Ik werk in theater omdat ik de wereld daarbuiten zo interessant vind, en daar wil over nadenken, er wil naar kijken, over wil vertellen, en naar wil luisteren. Ik heb het gevoel dat we ons een beetje verkeken hebben op De Autonomie Van De Kunsten, en nu soms met een soort van autonoom leeg museum opgezadeld zitten. Ik verbaas me erover dat als iemand zegt 'in de openbare ruimte' te werken, dat er dan altijd bedoeld wordt dat er 'buiten het theater' gewerkt wordt. Waarom zijn onze theaterscènes geen openbare ruimte meer?

Je kan overigens alleen maar autonoom zijn ten opzichte van iets anders, dus moet je vooral zorgen dat je onweerlegbaar en op een niet te negeren wijze ten opzichte van iets anders gaat staan.

Co-creatie is voor mij een mogelijkheid om ergens tegenover te gaan staan. Co-creatie is een mogelijkheid om van de theaterscène een openbare ruimte te maken. Het is een noodzakelijke stap om een openbaar onderzoek te kunnen voeren binnen een theaterproces, om een openbaar gesprek te hebben op scène.

En we moeten niet bang zijn om ondertussen aanzien te worden als sociaal werkers. Dat was in een opiniestuk vorig jaar de schrik van de Belgische kunstenaar J. Fabre. U mag niet zeggen dat J. Fabre een kunstenaar is van de jaren ’90. J. Fabre is een kunstenaar van de jaren ’80. Het minste contact in de praktijk met sociaal werkers zal u overigens snel duidelijk maken dat er nog altijd een groot verschil is. 

Ik heb de kunst al zien werken in meest trieste en harde omstandigheden, en ze was prachtig. Ze deed wat moest gebeuren, ze was kritisch voor de macht, zacht voor zij die het nodig hadden. We moeten ons geen zorgen maken over de autonomie van de kunst. De kunst zorgt wel voor zichzelf. In de tussentijd moeten wij met elkaar voort, en moeten wij zien samen te werken.

Er was eens een gesprek, met iemand waar ik mee samenwerkte in Rabot. Door een toeval werd dat gesprek opgenomen, hoewel het niet de bedoeling was.

De man waar ik toen mee sprak zei plots: Je moet iets goed doen met je leven.

Ik zeg euh…ja.

En hij vraagt meteen daarop Wat doe jij dan?

Ik zeg… Ik maak theater…

Hij denkt even na en vraagt dan: Wat is theater?

Dan begint er een heel beschamende passage in de opname waarin ik begin te lullen, en ik zeg: Theater dat zijn… Euh dat zijn acteurs… die een tekst brengen, een verhaal, met kostuums…en euh… Het laatste dat ik nog kon bedenken was ‘gekleurd licht, gekleurde lampen’.

Het gaat me in dit voorbeeld niet om die man zijn prachtige eis dat je iets goed moet doen met je leven. Maar het gaat wel over mijn schaamtelijke antwoord. Wat een gestotter en wat een dwaas antwoord. Het viel me achteraf pas op waarom ik me er zo voor schaamde: Ik antwoord letterlijk die dingen die ik zelf nooit doe in het theater. Ik werk nooit met echte acteurs die een bestaande tekst komen brengen en kostuums dragen. Ik werk nooit met gekleurde lampen. Ik werk altijd met filter 201.

Maar dat is dus wat er gebeurt, en daar hou ik van: buiten de veilige vanzelfsprekendheid van werk en medium, blijkt er plots iets te gebeuren: we vallen namelijk uit onze rol.
Zij zowel als ik.

Ik blijk geen sociaal werker te zijn en zij niet de hulpbehoevende.
In de psychiatrie bleken de kinderen die door de samenleving als raar worden bekeken, bleken zij de mensen van Lucinda Ra net als ‘die rare’ te bekijken.

Na een free jazz concert van twee muzikanten van Lucinda Ra, vroeg een kind over de muzikanten: zijn die gehandicapt?

Dat is het: we vallen uit onze rol, er worden rollen gewisseld, er worden nieuwe rollen bedacht. Er kan iets nieuw ontstaan, en dat nieuwe delen we dan met iemand waarvan we dachten dat we niets deelden. Wanneer je met iemand werkt voor wie het theatermaken niet vanzelfsprekend is, dan (als het goed is) valt er ook een vanzelfsprekendheid van je werk af. Dat is dan weer spannend. En als iets spannend is op scène, is het waarachtig.

Zeg het niet voort, hou het stil, maar heel voorzichting ontstaan er zo nieuwe metaforen, binnen situaties die allang vastgeroest leken te zijn is er opnieuw iets mogelijk. Daar gaat het voor mij over.

Ik hou niet van het 19de eeuwse romantische kunstenaarsschap.

Vooral omdat er in de negentiende eeuw romantische kunstenaars waren die heel goed wisten waar het over ging. Het is door de ontregeling van de zinnen en de ontregeling van het vertrouwde dat er nieuwe vormen en andere stemmen kunnen ontstaan. Het zijn de stemmen van het andere die altijd weerklinken in mijn stem. Ik is een ander.

Ik geloof niet in het eenzame originele genie van de individuele kunstenaar.

Monet schilderde in zijn eentje de kathedraal van Rouen 30 keer. Dat is prachtig werk. Hij huurde speciaal een kamer op de eerste verdieping van de Place du Cathedral nummer 23 in Rouen, waar hij helemaal alleen in afzondering kon werken. Wat een genie, wat een toewijding. Hij alleen op die kamer, dagenlang aan het werk met het uitzicht op de kathedraal. In datzelfde huis, op de begane grond was er een lingeriezaak. Toen Monet terug vertrokken was ontdekte de huisbaas dat de schilder verschillende gaatjes in de vloer had gemaakt, boven de pashokjes van de lingeriezaak. Voor mij hebben die dames van het gelijkvloers mee het werk van Monet mogelijk gemaakt.

Je kan wel een geniale individuele kunstenaar zijn, die zogezegd alleen maar een kathedraal voor ogen heeft - maar ik denk dat je die lingeriewinkel eronder nooit mag vergeten.

De conferentie co-creatie in het theater vond plaats in het kader van Frascati Issues De (on)vertelde stad waarin de inwoners van Amsterdam centraal stonden en de stad onder een vergrootglas gelegd werd. In de conferentie verenigden kunstprofessionals uit Nederland en Vlaanderen zich en wisselden best practices uit over de werkpraktijk van co-creatie in het theater.

door Simon Allemeersch

De Vlaamse theatermaker Simon Allemeersch legt in onderstaande tekst minutieus uit waarom de kunstenaar en de mensen voor en over wie hij werk maakt onlosmakelijk met elkaar vervlochten zijn. En waarom hij en zijn collectief Lucinda Ra niet spreken over co-creatie maar inhoudelijke co-productie. Hij sprak deze tekst uit tijdens de door Frascati georganiseerde conferentie over co-creatie in het theater (november 2017).