Het dagelijks leven opnieuw uitvinden


 
Home > De (on)vertelde Stad > Denken over de stad > Het dagelijks leven opnieuw uitvinden

Het dagelijks leven opnieuw uitvinden

Voordracht tijdens de conferentie Co-creatie in het theater, 4 november 2017, Frascati, Amsterdam

'Wie met de tijdgeest trouwt, wordt snel weduwe’ zegt theatermaker Thomas Spijkerman in onderstaande speech, die hij uitsprak tijdens de door Frascati georganiseerde Conferentie over co-creatie in het theater. Spijkerman schetst een persoonlijk beeld van zijn kunstenaarschap en de zoektocht naar manieren om als individu de wereld te leren kennen en verbeteren. 

Afgelopen week werd bekend dat ik per 1 januari 2018 zal stoppen als artistiek leider, maker en speler bij het muziektheatergezelschap Circus Treurdier dat ik tien jaar geleden oprichtte.

Het was ongeveer precies 3 jaar geleden in een zwembad in Yogyakarta, Indonesië toen ik werd overvallen door een groot gevoel van mismoedigheid. Nu word ik wel vaker overvallen door een groot gevoel van mismoedigheid, maar deze overvallerie houdt verband met het begrip co-creatie; vandaar dat ik het hier noem. We hadden net een landelijke tournee achter de rug van onze voorstelling SPEKTAKEL X. De publieksaantallen waren meer dan uitstekend (althans voor theaterbegrippen), we waren lovend ontvangen door de vaderlandse pers en we hadden prachtige plannen in het vooruitzicht. Maar toch voelde ik mij dus niet goed. En waarom voelde ik mij niet goed?

Ik voelde mij niet goed omdat ik langzaam maar zeker het vermoeden kreeg dat wij, en met “wij” bedoel ik in de eerste plaats natuurlijk mijzelf, maar ook Circus Treurdier, en ook een groot deel van de rest van de culturele sector, gelijkenissen begonnen te vertonen met personages uit de stukken van Tsjechov. Personages die tevergeefs hopen op een beter leven en een betere behandeling, die proberen aan te haken bij een te snel veranderende maatschappij en wonen rondom een kersentuin in de groeiende wetenschap dat deze vroeg of laat gesloopt –of op z’n minst draconisch verbouwd- zal gaan worden. En daarbij: natuurlijk lekker veel zuipen om dat allemaal maar te vergeten.
Terwijl, en dat is eigenlijk het ergste, de wereld 200 kilometer verderop al een compleet andere wereld is, zonder dat zij daar weet van hebben. Ja, ze hadden er weet van kunnen hebben omdat we steeds minder bezoek op onze kersentuin kregen, maar toch hadden we het niet door. Misschien omdat we te vaak dronken waren, en er voorlopig nog genoeg drank was. Een groep mensen die op een postzegel van de samenleving zich vast proberen te houden aan een wereld die inderdaad ooit heel mooi was. Met juist dat verschil tussen die personages uit Oom Wanja en de bewoners van deze kunstensector waar ik het over heb, en dus moi incluis, dat wij juist degene zijn die voor de muziek uit dienen te lopen en een plek middenin deze samenleving dienen te veroveren. En de personages uit de stukken van Tjechov gedoemd zijn om voor eeuwig op het platteland te blijven wonen.

In de tussentijd werd ik door Jurgen Bey, directeur van het Sandberg Instituut (de masteropleiding van de Rietveld), gevraagd of ik na wilde denken over de inhoud van een nieuwe, tweejarige onderzoeksmaster. Het onderwerp was helemaal vrij en het zou maar eenmalig, twee jaar duren.
Ik greep de kans aan om een andere richting op te gaan lopen, zonder nog te weten waarheen en bedacht het programma “Reinventing Daily Life”. Een interdisciplinaire onderzoeksmaster met beeldend kunstenaars, performers, schrijvers en alles daartussen in om samen na te denken over de vraag wat voor rol kunst zou kunnen hebben in het dagelijks leven van mensen, buiten de muren van het theater of de WhiteCube. Welke relevante verhoudingen kunstenaars eigenlijk allemaal met een publiek aan zouden kunnen gaan en hoe je deze dan kwalitatief vormgeeft in zowel proces als resultaat. Ja, een breed onderwerp. Ik wist in het begin ook eigenlijk niet over welke publieksverhoudingen ik het dan precies had: ging het mij om werken met communities? Kwetsbare groepen in de samenleving? Buurten? Wijken? Andere sectoren en beroepen? Bedrijven? Gewoon op straat? Mensen in hun huiskamer? Publiek dat niet weet dat het publiek is? En hoe onderzoek je dat dan? Nota bene is er in al die takken van sport natuurlijk al heel erg veel werk verricht, veel onderzoek gedaan, meerdere wielen opnieuw uitgevonden en zijn er mensen in werkzaam die daar jarenlange ervaring in hebben die ik helemaal niet heb. Die mensen wilde ik de komende twee jaar allemaal graag spreken.

Ik vond 11 medeonderzoekers en we gingen op pad. Ik besloot mijn naïeve, maar oprecht en wezenlijk nieuwsgierige positie die ik had te omarmen, als vertrekpunt te nemen en ons vanuit die houding de komende tijd te onderwerpen aan zoveel mogelijk benaderingswijzen. Zodoende werkten we afgelopen jaar bij de Belastingdienst en richtte daar de Hoofdafdeling Bijzaken op, we deden ons onderzoek bij de bewoners van “de Slagen” een bloemkoolwijk in Den Bosch waar men kampt met de gevolgen van vereenzaming, we creëerden het Museum voor Slechte Kunst, we nodigden publiek dat maximaal 1 keer per jaar in een kunstinstelling te vinden is uit bij the One Minutes aan wie we deze reclamecampagnes van 1 minuut voor ons kunstenaarschap in het algemeen toonden en richtte onlangs het Laboratorium voor een Leuker Leven op.

We stuitten onderweg op vragen als: Wat doe je als de plek en de mensen waar jij mee wilt werken niet met jou willen werken? Waarom presenteer je je werk op een Engaged Art Fair in de Balie als de meest interessante dingen rondom je project buiten de geïnstitutionaliseerde omgeving plaatsvinden, terwijl die plek je paradoxaal genoeg wel de toegang tot geld, faciliteiten en middelen geeft? En hoe geef je dan een professionele beroepspraktijk vorm die zich wel in de kaderloosheid van het dagelijks leven plaatsvindt? Wat geeft je het recht om een plek binnen te wandelen en te zeggen dat jij het daar gaat verbeteren? Wanneer is iets kunst en wanneer welzijnswerk? Doet die vraag ertoe? Zijn er algemene waarden binnen het domein van de kunsten die ten alle tijden beschermd dienen te worden? 

Wederom grote, meta-vragen die we wat mij betreft alleen individueel en allemaal persoonlijk voor onszelf kunnen beantwoorden waarna we door inspirerende voorbeelden dichterbij een idee zullen komen van hoe het ook zou kunnen.

Er valt van alles en nog veel meer over mijn tocht tot nu toe met jullie te delen en dat doe ik dan ook graag na afloop in de kroeg, maar een paar dingen wil ik binnen de context toch met jullie wil delen:

Ik vind co-creatie een verwarrende term om te gebruiken voor een praktijk die gaat over het leggen van verbindingen met werelden buiten degene die je al kent. Er lijkt een soort van egalitair, democratisch principe vanuit te gaan. Alsof we nu, nobel als we zijn, met zijn allen zeggen: “Jawel, wij zijn bereid van onze troon af te komen en af te dalen naar de samenleving om daar met de mensen te gaan co-creëren”. Alsof samen op gelijke hoogte iets is wat een doel op zich dient. Vanzelfsprekend zijn we op zoek naar een uitwisseling van kennis en hopelijk is die uitwisseling van beide kanten krachtig en daarmee gelijkwaardig aan elkaar.  

Natuurlijk behandelen we elkaar daarbinnen als mensen die in de kern gelijkwaardig aan elkaar zijn. Natuurlijk willen we gebruik maken van alle diversiteit en alle talenten die volop aanwezig zijn bij de mensen met wie we werken in een bepaalde groep, gemeenschap, organisatie of team. Maar dat is allemaal geen vanzelfsprekendheid. Dat is niet slechts een kwestie van met elkaar om een tafel zitten en zien hoe die prachtige, intrinsieke gelijkwaardigheid automatisch tot bloei komt. Mijn ervaring is juist eigenlijk dat om tot iets te komen je een heldere structuur, een duidelijk kader, duidelijke regels en een stevige, bevlogen, liefdevolle leider nodig hebt om die structuur, kaders en regels te bewaken.

Dat het juist de kunst is om gebruik te maken van de verschillende kennis, de verschillende talenten, de verschillende verwachtingen en de verschillende karaktereigenschappen aan de tafel en dat het hard werken is om dit te omarmen en volop tot bloei te laten komen.

En de rol van de moderne kunstenaar zou dan misschien ook wel die kunnen zijn. De ontwerper van structuren waarbinnen kwalitatieve samenwerkingen plaats kunnen vinden tussen mensen met al hun verschillen en diversiteiten die er voorheen niet aan dachten om met elkaar samen te werken.

Afgelopen donderdag zat ik op een bierfiets. Vraag me niet waarom, dat doet er nu even niet toe. Die bierfietsen zijn per 1 november verboden, goddank.
Maar kunstenaar Teun Castelijn die ook met mij op die bierfiets zat vroeg aan de eigenaar van die bierfietsentoko waarom zij als sector nooit met elkaar een offensief hadden gevoerd tegen het ridicule imago van die bierfietsen van dronken, schreeuwende, homofobe Engelse toeristen, terwijl het idee van de bierfiets net zo goed een prachtig idee zou kunnen zijn wanneer je de essentie ervan bekijkt, en het zou inrichten als een ontmoetingsmoment tussen mensen die elkaar normaliter nooit ontmoeten, waarin je het met zijn elven, al fietsend, over het leven kunt hebben, langs het cultureel erfgoed van de stad, ja natuurlijk met een drankje erbij maar soit. Het zou een performance kunnen zijn. Een installatie. Je zou er subsidie voor kunnen aanvragen.

Teun Castelijn en de eigenaar van dat bierfietsenbedrijf hebben elkaar helaas niet ontmoet op een moment dat het er voor de bierfietsensector toe deed. Ze hadden kunnen samenwerken en de bierfietsensector om kunnen toveren tot iets wat vriend en vijand zou verrassen. Maar in plaats daarvan is nu hun hele sector naar de gallemiesen, en kunnen we over een paar maanden die bierfietsen tegen een bodemprijs opkopen en er –binnen de stadsmuren van onze kunstensector- alsnog een performance mee –of nog beter: over- maken.

Het gaat me er dus om dat de taak van de moderne kunstenaar misschien juist hierin bestaat dat hij of zij zelf de structuur moet gaan creëren om tot die kwalitatieve ontmoeting te komen. Moet ruiken waar de kansen liggen, waar er iets omgetoverd kan worden (en dan bedoel ik met magie!), waar er samengewerkt kan worden vanuit menselijke gelijkwaardigheid, maar vooral vanuit andere invalshoeken waarbij je misschien nog even aan die van de ander moet wennen (ook tolerantie gaat niet vanzelf), maar dat dat nu eenmaal is waar je op bouwt omdat je erop vertrouwt dat uit het bespreken, het bevechten en het schaven aan die waarden er uiteindelijk iets nieuws ontstaat. Dat is in mijn ogen echt samen werken, of co-creatie zo je wilt. De vraag is dus alleen met wie je dat durft te doen.

En de rol van die kunstenaar zou in mijn ogen dus een leidinggevende en sturende moeten zijn. En daarmee bedoel ik niet autoritair en dwingend, maar luisterend en flexibel. Meebewegend wanneer het moet, maar grenzen stellend wanneer nodig. Om zich op een bepaald moment misschien ook weer terug te trekken in zijn of haar toverschuur, want die hebben we nu eenmaal, om daar met architectonische of metaforische tekeningen te komen die bij een volgende ontmoeting als voorstel op tafel liggen. Van waaruit weer verder gepraat, gedacht, geproefd, gehuild wordt. Bedoeld om de ander aan te steken, te inspireren (zonder dat het domein van inspiratie alleen aan de kunstenaar toebehoort), te vervreemden, te steken of te verbinden. Want dat is –in the end- misschien wel wat onze kracht is die wij niet moeten vergeten om aan tafel mee te brengen.

Godsamme er zijn nog zoveel kanten van deze glibberige medaille.
Ik heb het nog niet eens gehad over het gevaar om een voermiddel van de neoliberale agenda te worden, waarin de kunstenaar slechts nog instrumenteel gebruikt wordt om stiekem politieke problemen op te lossen. En dus zal daar politiekhalve geld voor worden uitgetrokken. En dus zullen er kunstenaars zijn die denken: daar is het geld, dus daar moeten we wezen. En dus zal er nog meer geld voor worden uitgetrokken, want het werkt!
Maar waar blijft dan de ruimte voor vervreemding? En controverse? En subversiviteit. Allemaal dure woorden die wel door iemand betaald moeten worden. Want wie met de tijdsgeest trouwt, wordt snel weduwe heeft iemand ooit gezegd.

En zo is het natuurlijk maar net. Want de echte innovaties liggen natuurlijk nog voorbij de toekomst die we ons kunnen voorstellen, die liggen in de toekomstige toekomst waar we met zekerheid allemaal naar op weg zijn, maar waarvan we ons nog niet kunnen voorstellen hoe die eruit ziet. We duwen met onze reet tegen de muur van de tijd, terwijl we tegelijkertijd de straat die achter ons ligt nog aan het afbouwen zijn. Als een marathonloper die de marathon achteruit loopt –je hebt ze..  Maar goed waar het om gaat is wil je een stratenbouwer zijn of wil je over de straten lopen die door anderen zijn gebouwd?

Tot slot wil ik alleen nog zeggen dat het me onwaarschijnlijk heeft bevrijd om uit te spreken dat ik niet per se een kunstenaar ben.
Niet per se. Niet noodzakelijkerwijs. Het kan me eigenlijk niet schelen. Ik ben een mens dat op een bepaald moment zou kunnen zingen, schrijven en verbeelden met zijn lichaam, troostende, verontrustende, poëtische en soms ook duistere ideeën heeft, die kan organiseren en houdt van praten, maar die ook houdt van marathonlopen en van wijnen proeven, net zo lief naar het voetbalstadion gaat als naar het museum. Die houdt van projecten die vervreemdende humor hebben, paradoxaal zijn en troosten. Die de wereld wil leren kennen en verbeteren met zijn talenten, eigenschappen en kwaliteiten die hij toevallig heeft gekregen, en die hij toevallig heeft kunnen ontwikkelen, omdat hij toevallig ergens is geboren op -wederom een postzegel van de wereld- waar mensen die absurde luxe kunnen genieten.
En die de laatste tijd bovengemiddeld geïnteresseerd is in de vraag: wie bent u, welke toverkracht heeft u en hoe kunnen wij samen doen wat nodig is?

De conferentie co-creatie in het theater vond plaats in het kader van Frascati Issues De (on)vertelde stad waarin de inwoners van Amsterdam centraal stonden en de stad onder een vergrootglas gelegd werd. In de conferentie verenigden kunstprofessionals uit Nederland en Vlaanderen zich en wisselden best practices uit over de werkpraktijk van co-creatie in het theater.

door Thomas Spijkerman

Thomas Spijkerman was tot 1 januari 2018 artistiek directeur van Circus Treurdier. Het gezelschap dat hij tien jaar geleden oprichtte. Momenteel geeft Thomas leiding aan een masteropleiding aan het Sandberg instituut, is hij docent op de Amsterdamse Toneelschool en zit in de onderzoeksgroep “the Local School”, wat een onderdeel is van DAS Graduate School.