Fundamentele vragen die co-creatie opwerpt


 
Home > De (on)vertelde Stad > Denken over de stad > Fundamentele vragen die co-creatie opwerpt

Fundamentele vragen die co-creatie opwerpt

Voordracht tijdens de conferentie Co-creatie in het theater, 4 november 2017, Frascati, Amsterdam

De angst voor vervaging van grenzen tussen theater en sociale of therapeutische praktijken door co-creatie bestaat zowel bij makers, publiek als recensenten. Ciska Hoet (cultuurjournalist Etcetera en De Morgen) beargumenteerde in onderstaande lezing, die ze uitsprak tijdens de door Frascati georganiseerde Conferentie over co-creatie in het theater (november 2017), dat juist het opwerpen van dit soort kwesties de kracht is van co-creatie: Co-creatieve projecten snijden door hun methodiek ook thema’s aan als eigenaarschap, hiërarchie, canonisering en macht.’ Voor beleidsmakers, theatercritici en -wetenschappers ligt daarom ook een ontwikkelingsslag in het beoordelen van co-creatie projecten.

Een klein jaar geleden beschreef kunstcritica Evelyne Coussens in etcetera haar worsteling met het beoordelen van sociaal-artistiek werk. Coussens vindt dit soort werk sociaal wel relevant, maar als kunstcritica kan ze het doorgaans enkel bestempelen als artistiek onder de maat.

Naar aanleiding van dat artikel nam ze de proef op de som en schreef ze voor etcetera een recensie over ‘Addio Amore’, een voorstelling van Tutti Fratelli (een artistieke werkplaats waar theater gemaakt wordt met mensen die in precaire omstandigheden leven, onder begeleiding van professionele kunstenaars).

Om een lang verhaal kort te maken: Evelyne Coussens schreef twee recensies. In de eerste beoordeelt ze de voorstelling naar eigen zeggen zoals ze eender welke andere voorstelling zou beoordelen en evalueert ze het geheel negatief. In de tweede probeert ze haar definitie van kwaliteit te verbreden en het sociale aspect dat te zien is in de voorstelling te begrijpen als een artistieke factor zodat het werk een eerder positieve beoordeling krijgt. Die oefening sluit ze af met de mededeling dat ze die tweede recensie eigenlijk een kunstgreep vindt. Ze heeft maw het gevoel dat ze de mankementen van de voorstelling verzwijgt in de tweede versie. Voor haar blijft de kern de opdeling vorm-inhoud. Kunst gaat om vorm die een mededeling bemiddelt, niet andersom, zegt ze. Lees: bij kunst primeert de vorm, en in heel wat sociaal-artistieke projecten laat precies dat aspect te wensen over.

Daarmee neemt Evelyne Coussens een gekend standpunt in, in een steeds weerkerende discussie rond sociaal-artistiek werk en co-creatie. De laatste jaren raakt co-creatie als methodiek weliswaar langzaam uit het verdomhoekje, het blijft nog vaak aanzien worden als het kleine broertje van de Echte Grote Kunst. Van zodra er in de podiumkunsten gewerkt wordt met ‘gewone’ burgers zoals wijkbewoners of met specifieke doelgroepen, wordt dan ook nog steeds de vraag gesteld of dit nog wel kunst is. En in het kielzog daarvan duiken er vragen op naar waar het artistieke eindigt en het sociale begint. En of de kunsten hun autonomie niet opgeven als ze zich ten dienste stellen van een doel dat buiten zichzelf ligt. Want kunst moet vooral kunst zijn, niet?

Ik zal al maar meteen verklappen dat ik een ander perspectief aanhang dan dat van mijn (verder zeer gewaardeerde) collega Evelyne Coussens. Maar dat neemt niet weg dat ik het boeiende vragen vind. Ik hoor kunstenaars en kunstwerkers uit co-creatieve kunstenorganisaties – en dan heb ik het bij uitstek over de organisaties die co-creatie in hun dna hebben en niet af en toe een co-creatief traject inbedden naast hun reguliere activiteiten - geregeld verzuchten dat ze moe worden van dit soort discussies. Het moet inderdaad demotiverend zijn om jezelf en je praktijk telkens opnieuw te moeten legitimeren tav je collega’s in het kunstenveld. Maar toch wil ik hier vandaag betogen dat het ook de kracht is van co-creatieve werken dat ze precies dat soort vragen oproepen. Mijn eigen fascinatie voor co-creatie komt alleszins voor een stuk voort uit het feit dat ze de verhoudingen op scherp stellen en daardoor kwesties aansnijden die niet enkel voor hen, maar voor de podiumkunsten als geheel van vitaal belang zijn. Het gaat dan niet alleen om de tweedelingen vorm-inhoud en autonomie-heteronomie of engagement en artisticiteit, maar ook om vragen rond hiërarchie, eigenaarschap en macht – en bij uitbreiding over de plaats van kunst in de samenleving (of de samenleving in de kunst). Allemaal thematieken die ook binnen het reguliere kunstencircuit van tel zijn maar daar door allerlei conventies soms minder snel aan de oppervlakte komen.

Hoe komt het toch dat de artistieke waarde van co-creatieve werken zo vaak in vraag wordt gesteld? Gaat het inderdaad om vormelijk inferieure creatieve uitingen die dus eigenlijk geen kunst zijn en waarbij het sociale voorgaat op de artisticiteit?

Soms wel. Zeker bij kwetsbare deelnemers vraagt het creëren van een safe space die de voorwaarde vormt voor het artistieke proces veel tijd en energie die soms ten koste gaat van bvb de dramaturgie. Tegelijkertijd primeert het groepsproces soms op de output. Hoewel het landschap gelukkig rijker en diverser is dan ik het nu voorstel, zie je wel eens hetzelfde stramien terugkeren. Sociaal-artistieke voorstellingen zijn vaak opgebouwd uit losstaande scènes die weliswaar rond hetzelfde thema draaien, maar samengevoegd een degelijke spanningsboog ontberen. Muziek wordt ingezet als dragende factor die de boel op gang houdt – wat toch een beetje een zwaktebod is. Verder zijn niet alle acteurs even podiumvast enzovoort.

Dus soms blijf ik artistiek inderdaad op mijn honger. In het slechtste geval zie ik dan een hoop clichés binnen een paternalistisch of schreeuwerig geheel. Geen goede voorstelling dus, zelfs al zie ik soms dat het voor de deelnemers wel een ervaring is waar ze kracht uit putten.

Maar heel eerlijk, ik zit ook bij reguliere voorstellingen in grote en kleine zalen vaak artistiek op mijn honger. Om cru te zijn: ook daar zie ik geregeld clichématige, schreeuwerige stukken zonder spanningsboog, die muziek nodig hebben als dragende factor omdat het geheel anders in elkaar stuikt. En nee, ook niet alle professioneel opgeleide acteurs zijn even podiumvast. Alleen concludeert niemand vervolgens dat het geen kunst is. Terwijl het grootste verschil tussen een slechte co-creatieve en een slechte reguliere voorstelling wellicht ligt in het feit dat de mensen op het podium van een reguliere voorstelling op het eerste zicht meer op mij lijken (middenklasse, wit, hoogopgeleid etc) dan die van een sociaal-artistiek stuk.

De vraag is dus of het wel zo logisch is om je af te vragen of co-creatieve werken kunst zijn. Artisticiteit maakt volgens mij noodzakelijk deel uit van co-creatieve processen. Door deelnemers niet enkel op een rationeel niveau aan te spreken, ontstaan er inzichten en ervaringen die een ander soort van kennis genereren dan dat van bijvoorbeeld academisch onderzoek of journalistiek werk. Deelnemers krijgen de ruimte om – op veilige afstand van de realiteit – aannames te onderzoeken en nieuwe beelden of identiteiten vorm te geven (cf Demos). En bovendien kan ook co-creatie niet zonder een boeiende zoektocht naar vormvernieuwing.

Maar, werpen criticasters dan op, verkopen co-creatieve kunstenaars hun ziel niet aan de duivel door hun kostbare autonome positie te verruilen voor een instrumentele kunstpraktijk die ten dienste staat van een sociaal doel?

Wel, ik heb nog nooit een co-creatief kunstenaar horen zeggen dat hij of zij oplossingen te bieden heeft voor sociale problemen. Heel wat van dit soort projecten botst juist met het nutsdenken van de systeemwereld. De uitkomst van een co-creatief traject is altijd onvoorspelbaar en een te eng kader of gebrek aan vrijheid fnuiken het creatieve proces. Heel vaak moeten de externe partners of opdrachtgevers zelfs vaststellen dat co-creatieve processen ontregelend werken en evidenties bevragen. De meerwaarde van deze praktijken ligt immers precies in de vrije verbeelding die de systeemwereld zo vaak ontbeert.

Bovendien is die tweedeling autonomie-heteronomie tout court niet houdbaar. Want wat is dat eigenlijk: kunst die vooral kunst is? Zelfs de meest abstracte, autoreferentiële kunstuitingen zijn niet losgezongen van de maatschappij. Ze worden gemaakt binnen een context, door een gesitueerd individu en vervolgens bekeken of ervaren door een al even gesitueerd publiek. Evenzo denk ik dat alle kunst doelen dient die buiten zichzelf liggen, niet enkel co-creatie. Ik vind het niet vies om die doelen bloot te leggen en te expliciteren. Sterker nog, ik denk dat de gehele sector er baat bij zou hebben om dit debat ook te voeren. Want zolang die doelen niet blootliggen, kunnen we ze ook niet bevragen of bijsturen. Wie of wat willen we dienen met onze kunst behalve de kunst zelf? Wie willen we bereiken en waarom? Gebruiken we een werk om onze organisatie in de markt te zetten? Om er een salaris aan te verdienen? Zonder te veralgemenen durf ik stellen dat dat vragen zijn waarover co-creatieve kunstenaars en organisaties soms beter of op zijn minst transparanter hebben nagedacht dan een aantal reguliere huizen.

Dat brengt mij bij het laatste thema dat doorgaans verbonden wordt met co-creatie, en waar ik hier vandaag bij stil wil blijven staan. Het gaat dan om eigenaarschap. Ofte het dilemma tussen hiërarchie en gelijkwaardigheid – en eigenlijk dus macht. Want als er één heikel thema is waaruit de hele sector volgens mij inspiratie kan putten vanuit co-creatieve praktijken, dan is het dat wel.

Ik denk dat je binnen co-creatieve praktijken kan spreken van een continuüm met aan het ene uiterste projecten waarbij de kunstenaar van A tot Z de touwtjes in handen heeft en de lijnen uitzet. De deelnemers figureren dan vooral als uitvoerder – een beetje zoals de rolverdeling in een klassiek ensemble. Aan het andere uiterste bevinden zich de praktijken waarbij de deelnemers over elk aspect niet alleen mede-zeggenschap hebben, maar ook het laatste woord. Zij bepalen koers, inhoud, vorm en eindproduct.

En hoe meer je die richting opgaat, hoe ontwrichtender het soms wordt. Want wat doe je als de deelnemers alles lelijk vinden wat jij mooi en belangrijk vindt? In hoeverre laat je je eigen kader los? Als ze mee creëren, krijgen ze dan hetzelfde loon als de andere medewerkers? Hoe voorkom je dat je in een gebruiksrelatie terecht komt? En wat is in dat geval precies een professionele kunstenaar? Iemand die een fulltime salaris uit zijn artistieke praktijk haalt? En als je die deelnemers zo belangrijk vindt, verdienen ze dan ook een zitje in je raad van bestuur? Of als artistiek directeur van je organisatie? Co-creatie is soms keihard in zijn confrontatie.

Maar het zijn wel de vragen die er vandaag toedoen. Onze maatschappij is enorm gesegregeerd en onze kunstensector is dat ook. Als we daar tegenin willen gaan, zal er macht gedeeld moeten worden met mensen die nu nog geen deel uitmaken van het veld of in de marge opereren. Om even terug te koppelen naar het begin: als Evelyne Coussens zegt dat kwaliteit het meest zwaarwegende criterium is om kunst aan af te wegen, dan is de vraag wie er bepaalt wat kwaliteit is. Wie heeft mede-zeggenschap? Wie is er eigenaar? Het zijn precies die fundamentele vragen die co-creatie opwerpt.

De conferentie Co-creatie in het theater vond plaats in het kader van Frascati Issues De (on)vertelde stad waarin de inwoners van Amsterdam centraal stonden en de stad onder een vergrootglas gelegd werd. In de conferentie verenigden kunstprofessionals uit Nederland en Vlaanderen zich en wisselden best practices uit over de werkpraktijk van co-creatie in het theater.

door Ciska Hoet

Ciska Hoet is theaterwetenschapper en directeur RoSa, kenniscentrum voor gender en feminisme.