Verhaal / trauma


 

Verhaal / trauma

Over de noodzaak van het vertellen van verhalen

Tijdens Frascati Issues #To Heal ging op 8 mei 2019 de theatervoorstelling Let there be light in première. Het was na To be or not to be, we will be en My Name Before Naomi de derde voorstelling in de samenwerking tussen ARQ Nationaal Psychotrauma Centrum en Frascati Producties in het kader van de programmalijn De (on)vertelde Stad. Elike Roovers en Rutger Esajas (DEGASTEN) werkten in een aantal sessies met een nieuwe groep van 12 patiënten van ARQ, allen getraumatiseerde mensen met een achtergrond als vluchteling. Op zaterdag 10 mei werd voorafgaand aan de voorstelling door Refugee Academy een conferentie georganiseerd (i.s.m. VU, Arq, Rose Stories en Frascati). Chris Keulemans was te gast bij de conferentie en de voorstelling en noteerde zijn gedachten omtrent een blinde vlek in onze samenleving: het gat tussen individu en instelling.

Het (on)vertelde verhaal
Als een theater op zoek gaat naar de onvertelde verhalen van de stad, zoals Frascati dat nu doet, dan maakt me dat nieuwsgierig en tegelijk ongeduldig. Nieuwsgierig, omdat ik wil zien wat ik nog niet weet. Ongeduldig, omdat die zoektocht geen nieuws zou moeten zijn. Want die verhalen zijn er altijd. Ze horen thuis in het theater, dat tenslotte een podium is voor wat er in de samenleving speelt. Maar als er teveel verhalen zijn die daar nog niet worden verteld, maakt dat van het theater eigenlijk een klooster middenin de stad. Met de eigen wereld binnen en de echte wereld buiten. De grens daartussen wordt in stand gehouden met praktische bezwaren, morele aarzelingen, koudwatervrees, verlegenheid, onwil, hooghartigheid, artistieke huiver – of gewoon onvermogen.

Dat is al jaren zo. Het geldt voor bijna alle toonaangevende theaters in het land. En het is ook niet erg. Zolang er in dat klooster evengoed schitterende voorstellingen worden gemaakt. Althans: het wàs niet erg. Maar nu leven we in een wanhopige wereld. Alles staat op scherp. Van klimaatcrisis tot wantrouwen in de politiek, van welvaartskloof tot data-onveiligheid, van vluchtelingenfobie tot racistische micro- en macro-agressie. En alles dreigt de verkeerde kant op te vallen. Dat zie je aan echte mensen met echte verhalen, op straat, om de hoek, in je huiskamer, in de spiegel. Dus kan een theater zich dat onvermogen niet meer permitteren, tenzij het definitief wil worden weggezet als mooi maar irrelevant.

Daarom zei Touria Meliani, wethouder kunst en cultuur, tijdens de Staat van de Stad op 21 mei: 'Kunst en cultuur bieden plek voor verbeelding. In die verbeelding komen we in contact met verhalen die we daarvoor nog nooit gehoord hadden, zien we mogelijkheden die we daarvoor nog niet kenden.' Daarom stellen de KVS in Brussel en Theater Rotterdam stadsdramaturgen aan. Houdt Mitchell Esajas van The Black Archives bij ITA inleidingen vooraf aan Clybourne Park van Well Made Productions, ‘dat voorstellingen maakt over verhalen die nog ontbreken.’ Haalt Daria Bukvić de verhalen van de stad het Nationale Theater binnen met Onze straat. Stelt de Balie een burgerredactie samen om gesprekken te voeren over werkende armen, die resulteren in een voorstelling van Jelle Zijlstra: ‘We presenteren het verhaal van de stad in theatervorm, omdat we geloven dat we zo de verhalen van Amsterdammers ook op emotioneel niveau dichterbij kunnen brengen.’ Kiest Simon Allemeersch niet voor de theaterzaal maar voor een verwaarloosd woonblok of een psychiatrische instelling, omdat het theater, zo merkt hij, niet meer als openbare ruimte wordt ervaren.

Het is maar een greep. Theaters worden wakker. Frascati ook: De (on)vertelde stad is een langlopende programmalijn op weg naar ‘theater dat zich verhoudt tot urgente urbane thema’s en tot stand komt in nauwe samenwerking met Amsterdamse instellingen en bewoners.’

Verhalen zijn natuurlijk niet onverteld. Dat zijn ze hooguit voor instellingen die ze niet horen. Voor een stadhuis dat wel je DigiD ziet maar niet de tranen in je ogen. Voor een arts die wel je dossier kent maar niet je angsten en passies. Voor een woningcorporatie die je naam registreert maar niet kan uitspreken. Voor een theater dat ze nog niet op de planken heeft staan.

Amsterdammers anno 2019 zijn slachtoffer, figurant of held in de grote verhalen van deze wanhopige tijd. En vaak in meerdere verhalen tegelijk. Racist en patiënt en blut en imker. Migrant en moeder en fietser en gehackt. We wonen in een overgeorganiseerde stad vol instellingen die voor ons klaarstaan maar niet met elkaar praten. Die elk maar een deel van het verhaal kennen. Wel het verzoek maar niet de persoon. En die zelf ook weer bestaan uit allemaal mensen die een verhaal te vertellen hebben. Dat zij op hun beurt ook weer nergens volledig verteld krijgen. Zo gefragmenteerd is ons bestaan dat de grote kwesties die op scherp staan alle tijd krijgen de verkeerde kant op te vallen. Omdat niemand in staat is het hele verhaal te overzien.

Tenzij: de kunstenaar. Als het iemand wordt toegestaan om van mensen het hele verhaal te laten zien, dan is zij het. Er wordt zelfs niets minder van haar verwacht. De kunstenaar heeft het maatschappelijk mandaat om in de krochten, de slaapkamers, de nachtmerries, de paradoxen en de jeugdherinneringen van iemands bestaan te duiken – en om wat ze daar aantreft te transformeren tot publiek bezit. In de blinde vlek tussen alle instellingen in, waar alles wat niet meteen functioneel is aan iemand zomaar onzichtbaar kan raken, precies daar opereert de kunstenaar. Geen wonder dus dat Frascati, in die samenwerking met Amsterdamse instellingen, de kunstenaar het podium biedt om de verhalen van stadsbewoners voor het publiek te vertalen.

Alleen: ook de kunstenaar is stadsbewoner. En al even kwetsbaar voor de fragmenterende krachten van deze maatschappij. Afhankelijk van klussen en opdrachten om de huur te betalen. Nooit genoeg geld en dus tijd om echt aan alle nuances van een levensverhaal recht te doen. Laat staan om erbij te zijn als het volgende hoofdstuk begint. Na de première moet ze al te vaak haar hoofdpersonen weer teruggeven aan de instellingen met hun blinde vlek. Laten zien, dat is wat de kunstenaar kan. De verandering, die daar het vervolg van zou moeten zijn, die maakt ze zelf maar zelden mee.

Want ook dat is de stad: buiten het theater worden kunstenaars welwillend maar met ingebouwde distantie onthaald. Ze zijn welkom zolang hun werk gevaarloos blijft en zonder echte consequenties. Instellingen zien ze met plezier komen – en ook weer gaan.

Daar begint mijn ongeduld. Niet met de kunstenaar: ook als die besluit zich voorbij haar eigen vak te blijven inzetten voor de echte mensen van wie ze het verhaal naar het podium heeft gebracht, dan wordt haar die ruimte zelden gegund. Maar met de instellingen, die hun professionele territorium nooit langdurig en fundamenteel willen delen met en laten openbreken door buitenstaanders.

Het verhaal van de dag
Het is een dag van systemen versus mensen. Hij eindigt met iedereen op de dansvloer. In het midden staat, zwijgend, onaangeraakt, het trauma.

De middag is een besloten conferentie. De avond een open theatervoorstelling. Alles bij elkaar het resultaat van de langer lopende samenwerking tussen Frascati, Refugee Academy, Rose Stories, Arq Nationaal Psychotrauma Centrum en jongerentheatergezelschap DEGASTEN. Mensen, groepen en instellingen die de grenzen aan hun reguliere werk onder ogen zien en daar overheen willen stappen om die blinde vlek te betreden.

Voor iedereen is het onwennig. En dat is ook de bedoeling van De (on)vertelde stad. Ze zijn elkaars gezelschap zichtbaar niet gewend: de gastheer, de psychiater, de onderzoeker, de vluchteling, de uitgever en de theatermakers. Eén voor één staan ze onder de spotlights in de verduisterde zaal van Frascati 4, op zaterdagmiddag 11 mei. De titel van de conferentie legitimeert hun aanwezigheid. De betekenis van levensverhalen voor de inclusie van vluchtelingen: wetenschap en theater in gesprek met elkaar. Uitgangspunt: iemand die haar verhaal niet kan doen, zeker als dat door een traumatische gebeurtenis overhoop is geschopt, komt nooit echt aan in deze samenleving. Pas als zulke verhalen gehoord worden, in de behandelkamer, op het podium, in boeken, dan maakt ze een kans. Maar dan moeten de ruimtes waarin dat verhaal verteld wordt – de psychiatrische, de ambtelijke, de artistieke – ook op elkaar aansluiten. Bij elkaar naar binnen kunnen kijken. En dan handelen voorbij de eigen dagelijkse praktijk.

Naomi Namutebi is zo iemand die een kans maakt. Een half jaar geleden stond ze hier ook, toen als hoofdrolspeler in My Name Before Naomi, haar vorige samenwerking met DEGASTEN. Die solo vond ze nog mooier, lacht ze. Toen vertelde ze over haar gesprekken met de IND, aan wie ze een geschiedenis van misbruik en lesbische liefde in Uganda moest bewijzen. De Theaterkrant schreef: ‘De kloof tussen haar en de instanties die haar ondervragen ligt al in taal verborgen. Zij maakt ogenschijnlijke details veelzeggend: de stilte in de Nederlandse straten, de roze suikerspin-kleding die ze aanheeft tijdens haar gesprekken, de onpersoonlijke typgeluiden van de dame aan wie ze haar eerste liefde beschrijft. De medewerker van de Immigratie- en Naturalisatiedienst is alleen geïnteresseerd in kernachtige zinnen. Voor haar volledige verhaal is geen interesse.’ Dit keer, zegt ze, is ze niet meer dan de gastvrouw van de voorstelling. Ze deelt vanavond in Let There Be Light het podium met anderen die bij Arq lopen vanwege een traumatisch vluchtverleden. Met die zachte, onontkoombaar articulerende stem zegt ze: ‘Dit is een uitdaging, maar een mooie. Ik leer van ze allemaal. Nu, na twee maanden repeteren, wil ik ze alleen nog maar vaker zien. Ook na de voorstelling wil ik in hun leven blijven. In mijn donkerste momenten zeggen zij opeens iets heel eenvoudigs waar mijn dag van opklaart.’

Het simpele feit dat zij daar staat, een jonge vrouw die meemaakte wat niemand zou moeten meemaken maar nu in een theaterzaal toespreekt alsof ze ervoor geboren is, maakt zichtbaar waarom het ongepast en zelfs onaanvaardbaar is dat instellingen in Nederland van iemands levensverhaal alleen dat willen horen wat binnen hun beroepspraktijk valt. Alle sprekers bevestigden dat het zo werkt, vaak tot hun eigen frustratie. Pim Scholte, psychiater bij Arq, behandelt getraumatiseerde vluchtelingen en slachtoffers van mensenhandel. De verhalen van de mensen tegenover zich, erkent hij, moet hij reduceren tot een diagnose en een behandelplan. ‘Hun uiterlijk, geschiedenis en passies, die bespreek je allemaal niet. Omdat je een gemeenschappelijke taal moet hebben met andere psychiaters. En omdat alles buiten het behandelplan niet past in het systeem van de zorgverzekeraar.’ Halleh Ghorashi, hoogleraar diversiteit en integratie aan de VU en initiatiefnemer van de Refugee Academy, kreeg in Nederland bij aankomst in 1988 het stempel vluchteling. En dat betekende: zielig en onderdrukt. Ons vreemdelingenbeleid, zegt ze, wordt gemaakt vanuit de ik over de ander. Mensen worden gereduceerd tot categorieën. Daarom verzamelt ze de verhalen van anderen met zo’n stempel. Biografisch onderzoek. ‘Ik leerde luisteren. Het gaat erom tijd te maken. Te vertragen en ruimte te maken voor het perspectief van de verteller. Als onderzoeker doe je er niet toe. In het westen staat het subject centraal. In het biografisch onderzoek stel je het perspectief van de verteller centraal. Daardoor hoor je zoveel meer. Kijk eens hoe Nederlanders fietsen. Wat een snelheid! Biografisch onderzoek is hetzelfde als een lekke band. Je moet gaan lopen. Moet je eens kijken wat je dan allemaal ontdekt.’

Nasim Miradi van Rose Stories kwam als klein meisje met haar ouders uit Iran naar Nederland. Jarenlang wilde ze in niets anders zijn dan haar Hollandse vriendinnen. Maar ook zij werd gecategoriseerd. ‘Er waren voor mij geen voorbeelden. In kinderboeken waren de meisjes met zwart haar vluchteling en zielig of ze radicaliseerden en heetten Fatima. Kinderen hebben behoefte aan zowel spiegels als ramen. Daarom geven we nu zelf kinderboeken uit met meer diversiteit en pluriformiteit. Verhalen om uit je eigen bubbel en bias te komen.’

Tenslotte twee theatermakers die niet van plan zijn zich te laten inkapselen: Bright O. Richards en Elike Roovers. Allebei werken ze even vaak binnen als buiten de theaters. En ook met organisaties die de theatertaal niet spreken.

Bright is de enige vanmiddag die zonder een spatje gêne het podium pakt. Strak in het pak, glunderende ogen, flux de bouche en een stem als een klok. Gewend, dat ook, om in een Hollands gezelschap dwars door alle mogelijke stereotypen heen te moeten slalommen. Dat lukt hem dankzij een immense liefde voor mensen én het vermogen dwars door ze heen te kijken. Hij heeft ervoor moeten vechten. Als jongen overleefde hij de oorlog in Liberia. In Nederland doorstond hij, als eerste zwarte Afrikaan, de toneelschool. Nu zou hij avond aan avond in de schouwburgen kunnen staan. Maar hij houdt zijn even hilarische als meedogenloze monologen liever in de bestuurskamers van bedrijven. Om ervoor te zorgen dat ze arbeidsplaatsen openen voor statushouders. Dat is zijn missie. Daar maakt hij theater voor. De koudwatervrees aan alle kanten? Die lacht hij weg.

Totdat hij ons een jeugdherinnering vertelt. Zijn oom was overleden. Op de ochtend van de begrafenis liep de kleine Bright naar het dorpsplein. Daar lag de kist. Een man met een glinsterend gewaad liep er naartoe en begon met de geest van zijn oom te praten. ‘Waarom ben je nog niet vertrokken naar de geestenwereld? Komt het door de oorlog? Als je de oorlog nog in je ziel draagt word je niet toegelaten tot de wereld van je voorvaderen. Laat de oorlog achter je, ga op weg naar je nieuwe leven en kom daarna veilig bij ons terug.’ Het is muisstil in Frascati 4. We zijn waar we wezen moeten. Bij het trauma.

Van het donker naar het licht. Dat is de beweging die Elike Roovers haar spelers vanavond wil laten maken, voor onze ogen, tijdens de voorstelling van DEGASTEN met een tiental vluchtelingen. Die kwamen bij haar terecht via Arq, waar ze in behandeling zijn voor hun trauma’s. Deze voorstelling is al de derde keer dat ze samenwerken. Veel wil Elike er nu nog niet over zeggen. Ze laat het woord liever aan Naomi. Zelf is ze eigenlijk geen theatermaker die verhalen vertelt, niet in de conventionele zin: aan overzichtelijke chronologie doet ze niet, zeker niet aan plot, en gesproken wordt er in haar voorstellingen zelden. Daar heeft ze wel een verklaring voor. Na een hele middag over het vertellen van verhalen als breekijzer en bouwmateriaal zegt ze: ‘Ook abstractie kan een ontsnapping zijn uit al die stereotypen en categorieën waar we elkaar in vastzetten.’

Het grotere verhaal
Ooit zag ik een man stilstaan aan de rand van het Weteringcircuit. Hij moest naar de overkant maar wist niet hoe. Ik wachtte en keek. Hij droeg een trainingsjack en een spijkerbroek. Hij was diepzwart. Aan zijn gezicht en lichaamsbouw gokte ik dat hij uit Somalië kwam. Er was niets in hem dat vertelde hoe hij verder moest. Op dat moment besefte ik dat er steeds meer mensen in deze stad wonen die de dood in de ogen hebben gezien.

Dat besef imponeert me, telkens als ik zo iemand ontmoet. Zij hebben iets meegemaakt waar ze geen plaats voor weten in hun levensverhaal. ‘Zo onbevattelijk,’ zei psychiater Pim Scholte, ‘zo anders dan wat je van de wereld verwacht. Het doorbreekt alles. Het is niet meer in te passen.’ En nu zijn ze in Nederland aangekomen. Waar ze de namen moeten leren van de instellingen die ze opvang kunnen bieden of medische zorg, waar ze hun familie mogen bellen of gratis naar de wc. Ze leren de naam IND: een kantoor waar ze papieren mee naartoe moeten nemen en een coherent verhaal vertellen. Ze leren de naam Weteringcircuit en hoe ze die over moeten steken. Ze leren de namen Baudet, Wilders en Nanninga.

Ze komen terecht in de blinde vlek tussen de instellingen. Ik ben jarenlang voorzitter geweest van het ASKV, het Amsterdamse steunpunt voor vluchtelingen zonder de juiste papieren. Sinds twee jaar leid ik het breedstedelijk overleg voor ongedocumenteerden. Ik heb ambtenaren zien huilen omdat ze niet meer konden doen en Eritreeërs bleek zien wegtrekken bij het woord Italië. In Libanon bezocht ik een vluchtelingenkamp waar kinderen kauwden op takjes: opvang in de regio. Ik heb de online taalcursus gezien die een analfabete moeder in Afghanistan moet doen om asiel te mogen aanvragen in Nederland. Er is zoveel dat je zou willen uitleggen aan iemand die de dood in de ogen heeft gezien en hier terechtkomt in die blinde vlek. Maar waarom zou je dat moeten hoeven uitleggen.

Vandaar de onwennigheid op die zaterdagmiddag in Frascati 4. Bij iedereen leeft het besef dat dit de kring is die ertoe doet. Als deze mensen – met en zonder professionele kennis, met en zonder trauma – elkaar weten te vinden, dan is de toekomst binnen handbereik. Maar de dagelijkse praktijk, de protocollen, de verlegenheid, het onvermogen, het niet weten hoe je naar de overkant komt, de blinde vlek tussen de instellingen, ze zijn niet makkelijk te overstijgen. Het trauma past niet in het levensverhaal van de mensen die de dood in de ogen hebben gezien. Maar ook niet in het verhaal van Amsterdam.

Dit is een stad geworden van snelheden. Verschillende snelheden. De ziekte van de grote wereldsteden heeft ook deze stad bereikt. Wie snel genoeg gaat kan het zich niet veroorloven stil te staan bij iemand die het tempo niet kan bijhouden. Bestaanszekerheid is geen gegeven; vertraging is een risico. Stilstaan bij een gebeurtenis die alles op rood zet betekent een plek in de vangstrook.

Wat ik probeer uit te leggen aan iemand die hier terechtkomt is dat dit een stad is met aandacht. Maar voorbijgaande aandacht. Oprecht en oplossingsgericht, maar voorbijgaand. Gewend om problemen die niet meteen op te lossen zijn door te verwijzen naar instanties. Waar diezelfde aandacht heerst. Weet je daar een verhaal te vertellen dat indruk maakt en logisch in elkaar zit, dan is dat nuttig. Niet voor jou, misschien, want volledig is het nooit, maar voor het functioneren van die instantie. En het voortbestaan ervan. Ook die instantie, dat moet je begrijpen, moet op tempo blijven. Een gemeenschappelijke taal blijven spreken, subsidies blijven verwerven, publiek blijven trekken. Niemand wil dat het zo is, dat zie je aan de verontschuldigende glimlachjes, de opgetrokken schouders, maar zo is het wel. Als nieuwe Amsterdammer moet je die momenten grijpen, eraan overhouden wat je kan. Daarna moet je het weer zelf rooien.

Dit is een stad, een samenleving, die draait op affe verhalen. Ze moeten een kop en een staart hebben, dan passen ze in de sollicitatieprocedures, de Linkedin-profielen, de verdienmodellen, de vrijdagmiddagborrels, de nieuwsberichten, de behandelplannen, de schuldsanering, de verblijfsvergunningen. Dan behoudt alles de vereiste snelheid. Verzwegen, onvoltooide en incoherente verhalen zijn een probleem, een bedreiging zelfs, voor een stad die probeert een orde in stand te houden voordat alles de verkeerde kant op valt.   

Ben je wel eens een avondje in Mezrab geweest? Dat is een plek waar avond aan avond verhalen verteld worden. De bezoekers en storytellers zijn er bijna allemaal nieuw in Amsterdam: expats, vluchtelingen, passanten op doorreis. Iedereen die er zijn levensverhaal, of een beslissende episode eruit, wil vertellen mag het podium op. Waar ze uit alle macht proberen er iets van te maken met een kop en een staart, liefst met een lach en een traan, een pointe – een rechtvaardiging voor hun verblijf hier. Mij raakt die poging keer op keer. Ik heb er ook eens een jonge Amerikaan gezien, die als soldaat had gediend in Irak. Wat hij daar had gezien moest hij hier vertellen om de logica in zijn bestaan terug te vinden. Maar hij brak. Hij kreeg het verhaal niet rond.

Het merendeel van de Amsterdammers heeft een breuk in hun levensverhaal gemaakt om hier terecht te komen. Een verhuizing, een migratie, een tocht in een vrachtwagen of over de Middellandse zee. Dragen ze een trauma met zich mee, dan is dat een dubbele breuk. Die breuken moeten geheeld, wil de stad blijven draaien. Kijk naar het verhaal van de BBB: de bed-bad-brood regeling voor ongedocumenteerde migranten. Die hield mensen ’s nachts van de straat. Overdag moesten ze de deur uit. Een novemberdag in Amsterdam doorbrengen zonder geld is niet makkelijk. (Ik herinner me de consternatie toen de prijs voor de toiletten op Centraal Station omhoog ging naar 70 cent.) Laat staan het repareren van je levensverhaal. Vandaar dat het nieuwe college vorig jaar begon te werken aan het creëren van 500 opvangplekken, verspreid over de stad, inclusief juridische, medische en sociale zorg, in samenwerking met een reeks van instellingen. Het is een helder verhaal. Maar wat doe je als andere Amsterdammers die inbreuk op hun toch al precaire bestaanszekerheid niet accepteren? En wat doe je met ongedocumenteerde nummer 501?

Trauma’s zijn heelbaar. Althans, er valt mee te leven. Als tijd, liefde en instellingen hun werk doen. Maar dat betekent niet dat ze niet bestaan. En dus: dat ze deel uitmaken van de stad zoals we die kennen. Het onvertelbare, het oninpasbare, het onoplosbare – hoe zou de stad eruitzien als we dat als de essentie ervan zouden erkennen? Niet de kop en staart, maar de verstoring? Niet het tempo, maar de vangstrook? Zou dan de angst dat alles de verkeerde kant op valt niet toenemen maar afnemen?

De (on)vertelde stad is een van de pogingen die er nu vanuit artistiek Amsterdam ontstaan om de verstoring als de essentie van de stad te accepteren. Om de onvolledige en incoherente verhalen even serieus te nemen als de affe. Er omheen te gaan staan met alle betrokken instellingen. Ook die verhalen te laten zien – en dan de consequenties te nemen van wat je ziet.

Het verhaal dat niet af is
De percussie klinkt als wiekslag door de zaal. Het is donker. Voor ons, de bezoekers, zijn witte plastic tuinstoelen willekeurig door de ruimte geplaatst. Een deel van de professionals, die ’s middags tijdens de conferentie probeerden de blinde vlek te betreden die hun instellingen van elkaar scheiden, is gebleven en zoekt een stoel. De voorstelling kan beginnen: Let There Be Light, van DEGASTEN met Frascati en Arq.

Naomi is nu niet langer de gast maar de gastvrouw. Ze nodigt ons uit een veilige plek te bedenken, een plek waar we altijd naar kunnen terugkeren als de spanning te hoog oploopt. De spelers maken zich los uit de schaduw langs de muur. Ze lopen tussen ons door en tonen ons hun mobieltje. Daarop: een filmpje van hun handen. See how they drown, zegt Naomi, see how they dance. They can say fuck you to those who fuck my life. My hands can create and destroy. My hands can talk. Na een middag vol verhalen zijn het nu de handen die het woord doen. En de gestalte van de spelers, die door ons heen cirkelen. Wat dragen ze uit: dreiging, toenadering, een licht ironische superioriteit, nu zij het zijn die het tempo en de communicatie bepalen? De muzikanten op het kleine podium terzijde, piano en percussie, voeren het volume op. Opnieuw zwermen de spelers uit over de ruimte, nu zien we op hun mobieltje twee ogen. Ze vormen een bewegende lichtsculptuur. Wassen hun handen. Slaan hun armen als vleugels uit. Reiken ons een snoepje aan. Barsten los, als Naomi het sein geeft, in een woeste Revenge Protocol. Een man beklimt het podium en leest in aarzelend, maar goed verstaanbaar Nederlands zijn gedicht voor. ‘Ik sta in het midden tussen licht en donker, tussen twee types mensen, de dader en de barmhartige. Om hulp vragen is moeilijk. Kleine stapjes, een moeilijke, pijnlijke weg. Kan iemand mij horen? Dit ben ik, een mens. Ik ben non-stop gemarteld. Ik zoek liefde als mens. Dit zijn mijn handen. Alstublieft, geef mij uw hand…’

Vanuit de stilte steekt de muziek op. De spelers zwieren met de witte stoeltjes hoog boven hun hoofd door de zaal, reiken ons de hand en ontruimen de vloer. Eerst onwennig, dan uitbundig staat even later iedereen op de dansvloer.

Het trauma, de kortsluiting in een levensverhaal, moet een duistere aantrekkingskracht uitoefenen op theatermakers. Juist dat moment waar de verbeelding tekortschiet daagt ze uit. Maar het kan ook een daad van menselijkheid zijn om er vanaf te blijven. Vanmiddag is er behoedzaam omheen gecirkeld: het ging over de verhalen die iemand vooruit kunnen helpen, niet over de horror waar het verhaal op rood sprong. En vanavond kiezen de spelers en Elike Roovers, die de regie met elkaar lijken te delen, ervoor om in beweging te blijven en niet stil te blijven staan bij de plek waar ze nooit meer willen zijn.

Maar het trauma is er. Ik merk het onverhoeds. Tijdens de voorstelling heb ik, op mijn witte stoeltje, aantekeningen zitten maken. Pas op de dansvloer sluit ik mijn notitieboekje. Direct na afloop, na een ademloos applaus, komt de man die zijn gedicht voorlas naar me toe. Niet onvriendelijk maar wel dringend vraagt hij me waarom ik zat te schrijven en voor wie. Hij moet me de hele voorstelling hebben geobserveerd. Ik denk: de paranoia waar hij voor gevlucht is achtervolgt hem ook hier. Zag hij me aan voor de IND, voor de geheime dienst? Ik leg uit dat Frascati me heeft uitgenodigd iets te schrijven en dat ik geen detail wil vergeten. Dat hij de tekst natuurlijk te lezen krijgt voordat die verschijnt. Een dag later stuurt hij me zijn gedicht, dat hij zelf op muziek heeft gezet, zodat ik het correct kan citeren.

Er gaat iets geruststellends uit van het woord verhalen. Het belooft samenhang, eerlijkheid, iets dat te delen valt. Een tegenwicht voor de twee extremen die een levensgeschiedenis kunnen opbreken. Het systeem, extreem voorspelbaar, dat er niet in geïnteresseerd is. En het trauma, extreem onvoorspelbaar, dat er een gat in slaat.

Maar een verhaal is niet meer dan een begin. Ook als het de ruimte vindt om helemaal verteld te worden, als er de vrijheid is om het af te maken, dan is het nog niet klaar. Eerder is het een handreiking om verder te praten. Of eigenlijk: om te beginnen met praten. Dat klinkt heel eenvoudig. Hoe moeilijk het is leerde ik op de dag die begon met een conferentie en eindigde op de dansvloer. Natuurlijk is het mooi om verhalen op te sporen, mogelijk te maken en uiteindelijk te delen. Maar dat zou de normaalste zaak van de wereld moeten zijn. Ook in Amsterdam. Samenwerkingen als deze zijn van levensbelang, letterlijk, maar daar houdt het niet op. Laten we vieren dat we in staat zijn om onze systemen even opzij te zetten. En dan de ruimte die vrijkomt gebruiken om iets zo alledaags te doen dat we het al bijna vergeten waren: doorvertellen, doorluisteren, blinde vlekken onder ogen zien, het onvertelbare toelaten, onze snelheden op elkaar aanpassen, modellen zonder einddoel accepteren, zorgen voor spiegels én ramen, weigeren gevaarloos te blijven, de consequenties nemen, beginnen aan het volgende verhaal. Niet bij wijze van uitzondering, maar elke dag.

En dat kan ook heel concreet. Misschien zit daar het ongeduld waarmee ik aan deze tekst begon. Het is natuurlijk al ongewoon veel werk om instellingen die in verschillende domeinen opereren maar wel met dezelfde mensen werken bij elkaar te krijgen. Maar is dat eenmaal gelukt, dan zouden ze ook de volgende stap kunnen zetten. Om echt iets te veranderen aan de systemen waar mensen in verdwalen. Om echt iets aan onze werkelijkheid te doen. Hoe zou het zijn als Elike Roovers een dag per week komt werken bij Arq; als de spelers van Let There Be Light betaalde klussen blijven doen bij Frascati, op de vloer of achter de kassa, bij de techniek of op kantoor; als de verhalen die Halleh Ghoreshi verzamelt worden aangekocht als potentieel repertoire door de Amsterdamse theaters; als Pim Scholte en zijn collega’s van Arq jaarlijks cursussen geven aan IND-medewerkers over trauma’s en hoe die het vertellen van een coherent vluchtverhaal onmogelijk maken; als Frascati en de VU samen in de theatersector en de wetenschap campagne gaan voeren om geld opzij te zetten voor onderbetaalde vreemdelingenadvocaten; als Let There Be Light gespeeld wordt in de raadszaal; als Bright O. Richards uitgenodigd wordt door theaters die ook arbeidsplaatsen willen openen voor statushouders; als de IND gedwongen wordt tot een acteurspardon voor iedereen die in een theaterzaal haar verhaal doet? Als elke stap tot de volgende leidt? Hoe zou dat zijn?

door Chris Keulemans

Chris Keulemans (Tunis, 1960), was tot september 2014 artistiek directeur van de Tolhuistuin in Amsterdam. Keulemans groeide op in onder meer Bagdad, Irak. In 1984 richtte hij de Amsterdamse literaire boekhandel Perdu op, dat nog altijd bestaat. In 1990 begon hij als programmamaker bij De Balie, centrum voor cultuur en politiek in Amsterdam. Van 1995 tot 1999 was hij hier directeur. Hij hielp onder andere bij het oprichten van Press Now, om onafhankelijke media in de Balkan te steunen. Hij is sinds jaren bestuurslid van het ASKV, steunpunt voor vluchtelingen. Chris Keulemans is een veelgevraagd debatvoorzitter. Hij publiceerde zes boeken, fictie en non-fictie, en publiceerde talrijke artikelen over kunst, engagement, migratie, muziek, cinema en oorlog in o.a. de Volkskrant en Vrij Nederland. In 2017 maakte Chris Keulemans zijn debuut op het podium als acteur in het stuk Bagdad dat hij samen met Enkidu Khaled onder de vlag van Frascati Producties realiseerde.