Frascati vroeger & nu

Frascati vroeger & nu

FRASCATI VROEGER & NU

Frascati is een innovatief en dynamisch theater in het centrum van Amsterdam. Jaarlijks presenteert Frascati zo'n 450 verschillende nationale en internationale voorstellingen en produceert het zo'n twintig grote en kleine producties.

In de Nes hebben we vier zalen, Frascati 1, 2 en 3 waarin toonaangevend werk uit binnen- en buitenland wordt getoond. Sinds kort hebben we ook beschikking over Frascati 4 (de voormalige Engelenbak). Onze vaste gezelschappen gaan vaak bij ons in première. Van groepen als Dood Paard en Maatschappij Discordia tonen we alle voorstellingen. Daarnaast spelen onder meer Toneelgroep Amsterdam, Theater Rotterdam en Toneelgroep Oostpool een deel van hun voorstellingen in Frascati en bieden we onderdak aan gezelschappen zoals De Warme Winkel . Ook is er veel theater uit het buitenland te zien, en is er veel aandacht voor dans, performance en theater op locatie.

In Frascati 4 krijgt pril werk een kans; jong, innovatief maar nog niet gevestigd, Frascati 4 is hét theaterlaboratorium van de Randstad.

Geschiedenis Frascati

Theater in de Nes

De geschiedenis van het theater in de Amsterdamse Nes gaat terug tot het einde van de 16e eeuw. Omstreeks 1585 voerde rederijkerskamer ’t Wit Lavendel daar op de zolder van een kloosterkerk rederijkersspelen op. Deze groep, die aanvankelijk bestond uit Vlaamse protestantse vluchtelingen, telde later ook Joost van den Vondel onder haar leden. In het begin van de 17e eeuw hield ook de Egelantier, de rederijkerskamer van Bredero, hier haar opvoeringen en literaire discussies.

In de 17e en 18e eeuw werd het beeld in de Nes grotendeels bepaald door de handel. Voormalige kloosters deden dienst als pakhuis en er kwamen veilinghuizen voor tabak, thee, specerijen en vlees, waaronder vanaf 1624 herberg en verkooplokaal de Brakke Gront.

In de loop van de 19e eeuw bloeide het uitgaansleven op in de Nes. In 1810 opende het Italiaanse koffiehuis Frascati haar deuren. Veertien jaar later werd dit café uitgebreid met een voor die tijd indrukwekkende en chique feestzaal met een capaciteit van 1.500 mensen, waar regelmatig zang- en dansuitvoeringen gegeven werden. Ook andere theaters verrezen in de straat, waaronder de Grand Salon des Variétés, Victoria en Tivoli. Hier zag men Franse vaudeville, Engels variété en Hollandse komedies. In de tweede helft van de eeuw werden in Frascati ook ernstiger stukken gebracht, zoals Multatuli’s Vorstenschool.

In de daarop volgende periode werd de Nes langzaam maar zeker een straat waar het beschaafde publiek zich niet openlijk vertoonde. Er kwamen bordelen en Frascati werd berucht als plaats waar het kermispubliek kwam afzakken. Maar schilders als Isaac Israels en Breitner kwamen er graag en ook literaire tachtigers als Willem Kloos waren er veelvuldig te vinden. Toen het Amsterdamse stadsbestuur in 1879 de kermis verbood, werd ook Frascati gesloten en werd de Nes opnieuw een handelsstraat. Een makelaarsvereniging kocht en verbouwde Frascati – de balkons en loges stammen uit deze tijd – en gebruikte het voor veilingen van onroerend goed en tabak. De Hel van Frascati werden deze tabaksveilingen genoemd in de jaren dertig: honderden duwende en trekkende handelaren, klauterend over balkons en stoelen om de beste tabak te bemachtigen. Na de Tweede Wereldoorlog werden alleen de huizenveilingen voortgezet in Frascati.

Jaren ’60 – Toneelgroep Studio

Het Nederlandse theater werd in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog gekenmerkt door de algemeen heersende geest van herstel en wederopbouw. Traditioneel hiërarchisch geleide gezelschappen als de Haagse en Nederlandse Comedie en het Rotterdams Toneel speelden klassiek repertoire en succesvolle buitenlandse stukken, vertolkt door gerenommeerde acteurs. In deze context groeide vanaf het eind van de jaren vijftig bij een nieuwe generatie de behoefte aan meer maatschappelijk engagement en vernieuwing, zowel organisatorisch als artistiek. Deze onvrede vond een dramatisch hoogtepunt in de Aktie Tomaat (1969), waarbij studenten van de Amsterdamse Toneelschool voorstellingen onderbraken met rotte tomaten en discussie met de acteurs en regisseur eisten.

Uit deze beweging ontstonden verschillende nieuwe initiatieven, zoals het Werktheater (1970), De Appel (1972) en het Onafhankelijk Toneel (1974). Hiërarchische structuren maakten plaats voor een meer collectieve organisatie, traditioneel repertoire voor maatschappelijk geëngageerde thema’s en eigentijdse stukken, en klassieke acteerstijlen voor experiment en improvisatie.

Eén van de voorlopers in deze ontwikkelingen was vanaf 1962 toneelgroep Studio onder leiding van Han Surink en regisseur Kees van Iersel, met als thuisbasis de Brakke Grond. Studio presenteerde werk van een nieuwe generatie Nederlandse toneelschrijvers, zoals Lodewijk de Boer, Dimitri Frenkel Frank en Jan Wolkers. Daarnaast werden vernieuwende buitenlandse stukken gespeeld, van onder andere Beckett, Ionesco en Arrabal. Waar het Mickery theater zich vanaf 1966 toelegde op het presenteren van buitenlandse groepen en het Shaffy theater vanaf 1969 de plek werd voor vormexperimenten en kruisbestuiving tussen disciplines, was de Brakke Grond in deze periode het podium voor eigentijds repertoire.

Jaren ’70 – De Theaterunie

Met de nieuwe artistieke impulsen in het Nederlandse theater groeide het verlangen om deze ontwikkelingen met een breder publiek te delen. Vanuit deze gedachte richtte Han Surink in 1971 de Theaterunie op, een organisatie die vanuit de Brakke Grond de ontwikkeling van een landelijk circuit voor alternatief theater ging stimuleren, in samenwerking met diverse theaters en gezelschappen. Voor het eerst richtte een instelling zonder vast toneelgezelschap zich op het produceren van voorstellingen. De Theaterunie functioneerde in dit opzicht als voorloper van de latere productiehuizen en werkplaatsen: afzonderlijke theatermakers, schrijvers of regisseurs konden aankloppen met een plan en werden ondersteund in het samenstellen van een ad hoc artistiek team, het aanvragen van subsidie, de productie en de tournee.

De Theaterunie zette de praktijk van Studio voort om in de Brakke Grond nieuw Nederlands repertoire te presenteren, onder meer van Jaap van de Merwe, Harry Mulisch en J. Bernlef. Daarnaast werden vooral nieuwe vormen van muziektheater gestimuleerd, veelal in samenwerking met het Willem Breuker Collectief. Deze groep organiseerde vanaf 1977 het jaarlijkse jazz- en improvisatie-festival Klap op de vuurpijl in de Nes. Naast dit artistiek vernieuwende werk werd in de zomermaanden een breder publiek getrokken met artiesten als Ramses Shaffy en Liesbeth List.

Jaren ’80 – Baal, de Vlaamse Golf en jong talent

Wegens verbouwingen in zowel Frascati als de Brakke Grond week de Theaterunie in 1979 tijdelijk uit naar De Balie aan het Kleine Gartmanplantsoen, waar een kleine theaterzaal werd gerealiseerd. In 1981 openden beide theaters in de Nes opnieuw de deuren. Frascati was in de voorafgaande jaren gebruikt voor televisieopnames en voorstellingen, geprogrammeerd door de eigenaar van café Frascati. Nu ging de Theaterunie ook deze zalen exploiteren en werd toneelgroep Baal van regisseur Leonard Frank de nieuwe vaste bespeler. Baal speelde voornamelijk nieuw Nederlandstalig werk, met als hoogtepunt de voorstelling Leedvermaak van Judith Herzberg in 1982.

Naast het werk van Baal bleef de Theaterunie, vanaf 1985 onder leiding van Hans Man in ’t Veld, voorstellingen programmeren en produceren in zowel Frascati als de Brakke Grond. In dit pand huisde inmiddels het Vlaams Cultureel Centrum en hier werden, mede dankzij een cultureel subsidieakkoord tussen Den Haag en Brussel, veel vernieuwende Vlaamse gezelschappen geprogrammeerd. Deze ‘Vlaamse Golf’ kende onder meer groepen als De Blauwe Maandag Compagnie (Luc Perceval), Akt/Verticaal (Ivo van Hove) en haar opvolger, De Tijd (Lucas Vandervost). Vaste Nederlandse bespelers in deze periode waren onder andere Mug met de Gouden Tand, De Zaak (later De Trust) en Art & Pro (Frans Strijards). Daarnaast werd vanaf 1985 werd ook meer jeugdtheater geprogrammeerd, dat in deze periode de traditionele belerende toon achter zich liet en zich ontwikkelde tot een serieuze kunstvorm.

Een opvallend kenmerk in deze jaren vormde het hoge maatschappelijk engagement van met name de eigen producties van de Theaterunie, met thema’s als aids, sociale vervreemding en verregaande commercialisering. Een andere nieuwe ontwikkeling was de opzet van randprogramma’s bij de voorstellingen. Vanaf 1985 initieerden dramaturgen – en latere artistiek leiders – Joost Sternheim en Nan van Houte bij Baal lezingen van nieuwe toneelteksten en debatten over theater en kunstbeleid. Tenslotte was er in deze periode een hernieuwde aandacht voor jong talent. Hans Man in ’t Veld haalde regisseurs als Koos Terpstra en Peter Pluymaekers naar Frascati en organiseerde in 1988 de eerste editie van het huidige Internationaal Theaterschool Festival (ITs), het festival voor afstuderende regisseurs en theatermakers.

Jaren ’90 – verdieping en kruisbestuiving

In 1988 hield Baal op te bestaan en trad Joost Sternheim aan als artistiek leider van de Theaterunie, naast algemeen directeur Hans Man in ‘t Veld. De ingezette lijn om jong talent een plaats te bieden werd voortgezet en onder leiding van Sternheim werd Frascati een huis voor veelbelovende regisseurs als Carina Molier, Peter Everstijn, Jeroen Kriek, Paul Feld, en Don Duyns. De organisatie bleef optreden als producent van voorstellingen en er kwamen thematische festivals rondom schrijvers als Mrozek, Shepard en Pirandello, waarbij verschillende regisseurs dezelfde tekst ensceneerden. In een serie ‘salons’ werd het contact tussen de jonge theatermakers en kunstenaars uit andere disciplines gestimuleerd.

Na deze periode waarin vooral het theatrale onderzoek en de ontwikkeling van theatermakers centraal stonden, kregen de presentatie naar buiten en het contact met de stad opnieuw de aandacht. In 1992 werd een grootse opknapbeurt van de hele Nes voltooid. In het daarop volgende jaar fuseerden Frascati en de Theaterunie en begon, na het overlijden van Joost Sternheim, Nan van Houte als artistiek leider. De nieuwe organisatie presenteerde zich aan het publiek als één huis met zes zalen, vanaf 1995 onder de naam [NES]theaters. Daarnaast werd de herkenbaarheid vergroot door drie vaste huisgezelschappen, Alex d’Electique, Suver Nuver en Mug met de Gouden Tand.

De kruisbestuiving tussen het artistieke theater en ontwikkelingen in de opkomende urban cultuur kreeg een impuls met onder meer rapbattles en houseparty’s, die een breed en gemengd publiek naar Frascati trokken. De bestaande contacten met het Willem Breuker Collectief werden vernieuwd in improvisatiesessies, waar muzikanten, acteurs, dansers, dj’s en technici aan deelnamen.

Verbreding vond ook plaats in de programmering, waar dans, mime en nieuwe media hun intrede deden. Daarbij bleef Frascati een huis voor beginnende getalenteerde theatermakers, met schrijf- en andere workshops en vanaf 1996 een structurele subsidie voor het productiehuis. Een nieuwe taak die de organisatie langzaamaan op zich nam, was het bewaren van ‘artistiek kapitaal’. Relevante makers en groepen die in het soms grillige subsidiebeleid plotseling buiten de boot vielen, vonden in de Nes een tijdelijk onderkomen, om vaak in de volgende ronde weer opgenomen te worden in het subsidiestelsel.

Jaren ’00 – verbinding met de stad en nieuw publiek

De ingezette verbinding met de stad en al haar bewonersgroepen kreeg in 2000 een praktische impuls toen Frascati haar thuisbasis in de Nes tijdelijk moest verlaten wegens onderhoud aan de fundering. Een onderkomen werd gevonden in cultureel centrum Ganzenhoef in Amsterdam-Zuidoost. Hier werden verschillende samenwerkingsprojecten opgezet tussen de theatermakers van Frascati, bewoners en kunstenaars uit de buurt. Een permanente dependance in de Bijlmer bleek te hoog gegrepen, maar de samenwerking bleef bestaan ook na terugkeer in de Nes. De schrijfworkshops werden uitgebreid naar Ganzenhoef, wat onder meer resulteerde in het jonge collectief Likeminds. In 2001 werd in Frascati het jongerenfestival Breakin’Walls georganiseerd, waar veel plaats was voor invloeden uit de urban cultuur en waar een redactie van jongeren met verschillende achtergronden een stem kreeg in de programmering.

Na deze stormachtige jaren vol nieuwe initiatieven volgde een periode van consolidering en publieksverbreding. Debatten en nagesprekken met makers brachten verdieping voor met name het volwassen publiek. Tegelijk werd in onder meer het jaarlijks terugkerende Breakin’Walls een nieuwe generatie toeschouwers bediend. Als tweede jaarlijks festival kwam Something RAW, een podium voor de nieuwste ontwikkelingen in de dans.

Daarbij bleef het productiehuis van Frascati een plek waar vernieuwende jonge theatermakers hun eerste professionele voorstellingen maakten. Steeds vaker waren dit theatermakers die in de jaren daarvoor hun artistieke handtekening hadden ontwikkeld in een andere Amsterdamse artistieke broedplaats: het Gasthuis.

1997-2007 – het Gasthuis

Het Gasthuis begon in 1997 in een pand op het Wilhelmina Gasthuisterrein in Amsterdam-West. De geschiedenis van dit complex gaat terug tot het begin van de 17e eeuw, toen hier een Pesthuys was gevestigd, volgens de toenmalige medische inzichten ruim buiten de stadsgrenzen. Later werd dit ‘Buitengasthuis’ een dependance van het Binnengasthuis. Eind 19e eeuw – de stad had zich inmiddels uitgebreid tot voorbij het terrein – werden plannen ontwikkeld voor een ruim opgezet ziekenhuis met verschillende ‘paviljoens’. In 1891 legde de toen tienjarige koningin Wilhelmina de eerste steen voor dit naar haar vernoemde Gasthuis.

In 1925 nam het academisch ziekenhuis zijn intrek in het complex. Uit deze periode dateert de huidige theaterzaal, die in 1930 als collegezaal van de afdeling interne geneeskunde in paviljoen I in gebruik werd genomen. Via een grote deur konden patiënten maar soms ook lichamen van overledenen binnengereden worden, al naar gelang het college. Nadat het academisch ziekenhuis halverwege de jaren tachtig was verhuisd naar het Academisch Medisch Centrum in Bullewijk, ontwikkelde het Wilhelmina Gasthuis zich tot een broedplaats van kleine bedrijfjes, ateliers en woongroepen. In de voormalige collegezaal nam het Amphitheater zijn intrek, een werkplaats voor regisseurs en schrijvers zonder vast gezelschap.

Halverwege de jaren negentig was deze organisatie de thuisbasis geworden van een vaste groep regisseurs en ontstond bij onder meer de subsidiegevers de behoefte aan meer doorstroming en vernieuwing. Vanuit deze gedachte ging in 1997 het Gasthuis van start. De nieuwe artistiek leider Barbara van Lindt begon met het aantrekken van de meest getalenteerde en eigenzinnige kunstenaars uit verschillende disciplines. Naast regisseurs als Alexandra Koch en Liesbeth Gritter (Kassys) was er plaats voor schrijvers als Esther Gerritsen en mensen met achtergronden in de dans en beeldende kunst, zoals Sanne van Rijn. Artistiek onderzoek, ontwikkeling en kruisbestuiving tussen de disciplines kwamen centraal te staan en kregen onder meer vorm in de Sessies. In deze workshops werkten de verschillende jonge makers samen aan een thema, onder leiding van (internationale) kunstenaars als Jérôme Bell en Tim Etchells.

In 2002 nam Mark Timmer de leiding over van Van Lindt. Naast het artistieke onderzoek kreeg de verbinding met de wereld en het publieke domein nieuwe aandacht. Meer nog dan voorheen werd de confrontatie met kritische denkers en met ontwikkelingen buiten het theater gestimuleerd. Eén van de vormen waarin dit gebeurde was Uit het raam staren, openbare bijeenkomsten waarin een theatermaker in gesprek ging met een wetenschapper of filosoof naar aanleiding van een artistiek vraagstuk. In het beschouwend magazine Volume reflecteerden schrijvers en dramaturgen op het werk van de Gasthuismakers. Onder de naam An Academy werden discussieprogramma’s en workshops georganiseerd rondom festivals als het KunstenFESTIVALdesArts, het Holland Festival en het IDFA. En met Gastschrijvers begon een traject specifiek gericht op jonge professionele toneelauteurs.

De laatste jaren groeide het aandeel van jonge kunstenaars met een internationaal netwerk, waaronder makers als David Weber-Krebbs, Edit Kaldor, Nicole Beutler en Andrea Bozic. In lijn met deze ontwikkeling ging het Gasthuis zelf een actievere rol spelen in de internationale uitwisseling en co-productie. Dit uitte zich onder meer in de samenwerking met het Duitse festival Plateaux en in Expedition, een internationaal uitwisselingstraject in achtereenvolgens Amsterdam, Wenen en Parijs.

Een andere ontwikkeling in deze jaren was het groeiend aantal voorstellingen dat een succesvolle (inter)nationale tournee maakte, waaronder werk van Jetse Batelaan, Laura van Dolron, Andcompany&co en Ivana Müller. Vaste speelplek in deze tournees werd steeds vaker theater Frascati. Makers als Van Dolron en Joachim Robbrecht vonden in het productiehuis in de Nes een nieuwe partner, aansluitend bij hun ontwikkeling in het Gasthuis.

2008 – de fusie

Deze toenemende samenwerking maakte een samengaan van beide instellingen een logische volgende stap en in januari 2008 werd de fusie gerealiseerd. De nieuwe organisatie, met Mark Timmer als artistiek directeur en Jola Klarenbeek als zakelijk directeur, verwierf zo een nog grotere slagkracht en flexibiliteit om in te spelen op een in vele opzichten steeds beweeglijker generatie podiumkunstenaars. De makers van vandaag werken niet alleen dwars over discipline- en landsgrenzen heen, maar ontwikkelen zich steeds vaker ook in wisselende combinaties en rolverdelingen: als regisseur, speler, schrijver-performer of begeleider. Onder de noemers Openbaarheid, Grootstedelijkheid en Internationaliteit blijft Frascati hierbij de uitwisseling en confrontatie met de wereld buiten het theater stimuleren. Met een betrokken team, een breed (inter)nationaal netwerk, een laboratorium op het Wilhelmina Gasthuisterrein en een professioneel podium met verschillende zalen in de Nes, is Frascati ruim 400 jaar na ’t Wit Lavendel en de Egelantier dé plek waar ambitieuze en talentvolle theatermakers zich kunnen ontwikkelen tot zelfstandige, autonome en eigenzinnige podiumkunstenaars.

Door: Bas van Peijpe

Met dank aan: Marijke Giesbers, Nan van Houte, David Schild, Mark Timmer, Winfred Voordendag, Koos van der Vorm

 


Tabaksveiling 1926


 

 

 

 

 

Tabaksveiling 1931

 

 

 

 

 

 

 

Frascati (jaartal onbekend)

TIJDLIJN

Rond 1585         Rederijkerskamers ’t Wit Lavendel en de Egelantier
1624                 Opening herberg & verkooplokaal de Brakke Gront
1810                 Opening Koffiehuis Frascati
1824                 Bouw grote feestzaal Frascati
1879                 Frascati wordt een veilinglokaal voor tabak en vastgoed
1962                 Toneelgroep Studio in de Brakke Grond
1971                 Oprichting Theaterunie
1979                 Theaterunie verbouwt De Balie tot theaterzaal
1981                 Vlaams Cultureel Centrum opent in de verbouwde Brakke Grond.
1981                 Toneelgroep Baal wordt vaste bespeler van gerenoveerd Frascati
1988                 Baal wordt opgeheven
1993                 Fusie Theaterunie en Frascati
1995                 Theaterunie wordt [NES]theaters
1996                 [NES]theaters krijgen productiehuisssubsidie
1997                 Oprichting Gasthuis
2008                 Fusie Gasthuis en Frascati